Abdullah
ibn Mubarak is een vrome man. Hij houdt ervan om Allâh te aanbidden. Dit jaar
is een bijzonder jaar voor Abdullah. Hij gaat op haddj, de bedevaart in Mekka.
Abdullah
doet alles, wat er bij een haddj komt kijken. Hij loopt rond de Ka’aba. Hij
wandelt zeven keer tussen de heuvels Safâ en Marwah. Hij bidt op de vlakte van
Arafât en in Minâ gooit hij met kiezelsteentjes.
Na
dit alles is Abdullah zó moe, dat hij als een blok in slaap valt. Maar hij
droomt iets vreemds. Twee engelen spreken met elkaar over de haddj van dit jaar.
“Stel
je voor zeg,” zegt de ene engel. “Als het niet aan Alî ibn al Muwaffik
gelegen had!”
“Zeker”,
vult de andere engel aan, “dat zou erg geweest zijn! Dan had iedereen deze
haddj voor niets gedaan. Allâh wilde niemand ervoor zegenen!”
“Ja”,
zegt de eerste engel weer, “de bedevaartgangers van dit jaar moesten eens
weten! Gelukkig is alles toch goed gekomen. Iedereen heeft zijn zegeningen
ontvangen. Dankzij Alî ibn al Muwaffik uit Damascus! En hij was er niet eens
bij!”
Op
dit moment wordt Abdullah wakker. Hij wrijft zich eens in de ogen. Wat een rare
droom was dat! Abdullah weet wel, dat niet alle dromen bedrog zijn. Soms komen
ze van Allâh.
‘Dit
was vast een droom van Allâh’, denkt Abdullah. ‘Deze Alî ibn al Muwaffik
moet een hele bijzondere man zijn. Wat zou hij toch gedaan hebben? Door hem werd
de haddj van meer dan één miljoen mensen gezegend!’ Abdullah wil er het
zijne van weten. ‘Ik zal niet rusten vóór ik deze Alî in Damascus opgezocht
heb’, belooft hij zichzelf.
Na
een lange reis heeft Abdullah eindelijk Alî ibn Muwaffik gevonden. Alî is maar
een eenvoudige schoenmaker en zijn huis is niet groot. Toch ontvangt hij
Abdullah gastvrij. Hij geeft hem het beste eten en drinken, dat hij in huis
heeft. Dan pas vraagt hij: “Wat brengt je hierheen, broeder?”
Abdullah
vertelt hem van zijn droom. Van het gesprek van de twee engelen. Hoe Alî uit
Damascus de haddj van alle bedevaartgangers gered heeft.
Alî
kleurt rood van blijdschap. Allâh is tevreden over hem! Hij heeft de juiste
beslissing genomen! Nu wil Abdullah graag weten, wat er gebeurd is. “Ik zal je
alles vertellen, broeder”, zegt Alî. “Zoals je ziet, ben ik maar een
eenvoudige schoenmaker. Ik verdien wel genoeg om van te leven, maar veel is het
niet. Toch wilde ik ook één keer naar Mekka voor de haddj. Dertig jaar lang
heb ik telkens een beetje geld opzij gelegd. Dit jaar had ik eindelijk genoeg.
Drieduizend dollar had ik bij elkaar.
Nu
moet je weten, dat mijn vrouw in verwachting is. Ze heeft soms trek in rare
dingen. Op een dag rook ze een lekkere vleesschotel. Die waren de buren aan het
bereiden. Mijn vrouw watertandde van die heerlijke lucht van gekruid vlees.
‘Alsjeblieft
Alî’, smeekte ze mij. ‘Vraag eens een beetje van dat vlees voor mij?’
Dat
deed ik. Maar toen ik met de buurman praatte, viel ik van de ene verbazing in de
andere.
‘Ach
buurman’, zei hij. ‘Ik zou je graag wat willen geven, maar ik kan het niet
doen. Dit vlees is voor ons Muslims niet toegestaan. Het is harâm.’
‘Harâm?’
vroeg ik verwonderd.
‘Als
ik iets anders had om te eten, dan zou ik dit nooit klaarmaken’, zei de
buurman. ‘Maar we hebben niets. Zelfs geen droog brood.’
‘Hoe
kom je dan aan dit dure vlees?’ vroeg ik weer.
‘Het
is helemaal geen duur vlees. Het komt van een dode ezel, die ik in een straatje
vond. Ik weet wel, dat wij geen vlees mogen eten van dieren, die uit zichzelf
gestorven zijn.’
‘Nee’,
beaamde ik, ‘stel je voor dat de dieren aan een ziekte gestorven zijn, dan
zouden wij ook ziek kunnen worden.’
‘Ja’,
ging de buurman verder, ‘en vlees van ezels eten wij Muslims ook al niet. Maar
wat kon ik doen? Mijn kinderen hebben al in geen zeven dagen te eten gehad. Ze
zijn ziek van de honger. Ik kan ze toch niet laten verhongeren? Daarom heb ik
het vlees van die dode ezel toch maar meegenomen. Moge Allâh mij genadig
zijn.’
Daar
stond ik dan. Ik schaamde me diep. Want ik had drieduizend dollar in mijn huis
en mijn buren hadden al in geen zeven dagen te eten gehad. Ik keerde naar huis
terug en haalde mijn spaargeld tevoorschijn. Ik gaf alles aan de buurman.
‘Hier buurman’, zei ik. ‘Neem dit van me aan. Dit zal mijn bedevaart
zijn.’”
Nu
begrijpt Abdullah zijn droom. Alî heeft inderdaad iets heel moois gedaan. Hij
had dertig jaar naar deze haddj toegeleefd. Hij had zich er zó op verheugd! En
toch heeft hij al zijn geld weggegeven om zijn buurman te helpen. Geen wonder,
dat Allâh tevreden over hem is!
Uit:
Een grote kindervriend en andere Islamitische verhalen