In
Madînah woont een kleine jongen. Het is een beste jongen, alleen heeft hij één
hele slechte gewoonte. Hij gooit altijd stenen naar bomen. En hij vindt het nog
leuk ook!
Op
een dag gaat de jongen naar een oase, net buiten de stad. Die oase is lekker
koel. In de schaduw groeien dadelpalmen, waar veel dadels aan hangen. Zodra hij
ze ziet, raapt de jongen een paar stenen op en gooit ze naar de bomen. De stenen
raken de dadelpalmen en de dadels vallen in het zand.
Na
een tijdje stopt de jongen met stenen gooien. Hij begint de dadels op te eten.
Daar houdt hij ook erg veel van! De dadels smaken heerlijk en de jongen eet ze
allemaal op. Hij denkt er helemaal niet aan, dat hij de bomen beschadigt. Ook
denkt hij niet aan de eigenaar van de bomen.
Als
die eigenaar ontdekt wat de jongen heeft gedaan, wordt hij heel erg boos. Hij
vermoedt wel, dat het een kwajongen is, die de dadels uit zijn bomen slaat.
Daarom wacht hij de jongen op.
En
ja hoor, daar komt de jongen weer. Hij gooit stenen naar de bomen en raapt de
dadels op die gevallen zijn. Daar heeft de eigenaar op gewacht. Hij rent op de
jongen af en grijpt hem in zijn nekvel. De jongen schrikt zich een hoedje. Als
hij het boze gezicht van de man ziet, wordt hij erg bang. Maar hoe hard hij ook
schreeuwt en tegenspartelt, de eigenaar laat hem niet los.
De
jongen wordt meegenomen naar de Profeet Muhammad (vrede zij met hem).
Daar vertelt de eigenaar wat de jongen heeft gedaan. De jongen is bang dat de
Profeet heel erg boos op hem zal zijn, maar dat is helemaal niet zo. Hij spreekt
op een rustige, zachte toon met de jongen.
“Waarom
gooi jij stenen tegen bomen?” informeert de Profeet.
“Om
dadels te krijgen”, antwoordt de jongen. “Als ik niet met stenen gooi, hoe
moet ik dan aan die dadels komen?”
De
Profeet begrijpt meteen, dat de jongen nog maar klein is en nog veel moet leren.
Hij vindt dat de jongen niet echt ondeugend is geweest, alleen maar onnadenkend.
Daarom aait de Profeet hem over zijn hoofd om hem gerust te stellen. Hij spreekt
hem vriendelijk toe.
“Gooi
geen stenen tegen de bomen”, zegt hij tegen de jongen. “Want als de bomen
beschadigd zijn, dan geven ze geen fruit meer. Eet alleen de dadels, die vanzelf
op de grond gevallen zijn.”
Daarna
zegent de Profeet de jongen. Hij vraagt Allâh, of de jongen snel wijs en
verstandig mag worden.
De jongen
heeft die dag een belangrijke les geleerd. Hij heeft geleerd, dat hij geen bomen
kapot mag maken om aan dadels te komen. De bomen geven hun dadels zelf, door ze
te laten vallen als ze rijp zijn. Nu is de jongen al een stuk wijzer dan
daarvoor. Hij voelt zich ook een stuk gelukkiger. Want hij heeft gemerkt, dat de
Profeet aardig voor hem was. Ja, de Profeet houdt van alle kinderen.