Good and bad natured persons
in all nations
It would be incorrect to assume that all individuals in some nations are naturally inclined to goodness and all of those in other nations to evil. God ordained laws of nature to ensure dispensation of both kinds of persons in all nations. Each nation has its share of ill-natured, immoral, malicious and wicked persons, just like it has its share of noble-natured, moral, good character, and pious persons.
There is no nation that is not subjected to this law of nature, be they Hindus, Farsis, Jews, Sikhs, Buddhists, etc. As nations progress in civilisation and culture, the moral system begins to emphasise honour, knowledge and dignity. This creates the environment in which persons with basic goodness of nature are recognised in the community for their piety and noble character and become role models for others. No nation is devoid of such persons.
Unless a natural inclination to goodness already exists in a person, a mere conversion to another religion will not create it because the instinctive nature of man created by God does not change. It will have to be admitted by all genuine seekers of truth that nature doles out a basic disposition and religion only provides a framework for the appropriate control and use of this disposition. Thus, some persons have a greater portion of meekness and affection in their disposition and others more of harshness and anger.
The role of religion is to divert the fruits of basic goodness, such as love, obedience, sincerity and faithfulness, which idolaters feel for their idols or worshippers of men feel for their incarnate deities, to God and to make such persons show the same obedience to Him as had formerly been shown by them to their deities.
Source: The Four Questions Answered
Hazrat Mirza Ghulam Ahmad |
Personen van goede en slechte aard
onder alle volkeren
Het zou onjuist zijn om te veronderstellen dat alle individuen in bepaalde volken van nature geneigd zijn tot goedheid en tot slechtheid in andere. De door God vastgestelde natuurwetten verzekeren een verdeling van beide soorten van personen in alle volken. Elk volk bezit zijn aandeel van immorele, kwaadaardige en verdorven personen, net zoals die zijn aandeel bezit van edele, morele, vrome personen en mensen van goed karakter.
Er is geen volk dat niet onderworpen is aan deze natuurwet, of het nu hindoes zijn, parsi’s, joden, sikhs, boeddhisten, etc. Naarmate volken vooruitgang boeken in cultuur en beschaving, begint het morele systeem nadruk te leggen op eer, kennis en waardigheid. Dit schept een milieu waarin personen met een natuurlijke basisgoedheid in de gemeenschap herkend worden vanwege hun vroomheid en edel karakter, waardoor ze rolmodellen voor anderen worden.
Geen enkel volk is verstoken van zulke personen.
Als er niet reeds een natuurlijke neiging tot goedheid in een persoon bestaat, dan zal louter een bekering tot een andere godsdienst die niet creëren, omdat de instinctieve natuur van de mens die God heeft geschapen niet verandert. Alle oprechte waarheidzoekers zullen moeten toegeven, dat de natuur zorgt voor een basisverdeling en dat de godsdienst slechts een kader verschaft voor een gepaste beheersing en gebruik van deze toebedeling. Zo hebben sommige personen een grotere mate van deemoedigheid en genegenheid in wat hun is toebedeeld, en anderen hebben meer van hardvochtigheid en boosheid.
De rol van de godsdienst is om de vruchten van basisgoedheid, zoals liefde, gehoorzaamheid, oprechtheid en trouw, die afgodendienaren voor hun afgoden voelen of aanbidders van mensen voelen voor hun geïncarneerde godheden, in de richting van God om te leiden en om zulke personen dezelfde gehoorzaamheid te laten tonen aan Hem, die ze voorheen aan hun godheden toonden.
Bron: The Four Questions Answered
Hazrat Mirza Ghulam Ahmad
|