Devotion to God
“Say: My prayer and my sacrifice and my life and my death are surely for Allah, the Lord of the worlds.” (Qur'an, 6:162)
A person can be held to be a Muslim when the whole of his being, together with all his faculties – physical and spiritual – are devoted to God Almighty, and the trusts that are committed to him by God Almighty are rendered back to the True Giver. He should demonstrate his being a Muslim not only doctrinally but also in practice. In other words, a person claiming to be a Muslim should prove that his hands and feet and heart and mind, his reason and his understanding, his anger and his compassion, his meekness and his knowledge, all his physical and spiritual faculties, and his honour and his property, his comfort and his delight and whatever pertains to him from the top of his head to the soles of his feet, together with his motives, his fears, his passions, have all been subordinated to Almighty God as a person's limbs are subordinated to him. It should be proved that his sincerity has reached a stage in which whatever is his does not belong to him but to God Almighty, and that all his limbs and faculties have become so devoted to the service of God as if they had become the limbs of the Divine.
Reflection on this verse shows clearly that devoting one's life to the cause of God Almighty, which is the essence of Islam, has two aspects. First, that God Almighty should become the object of worship and the true goal and beloved, and that no one should be associated in His worship, in His love, and in His hope. All the commandments related to His holiness and glory and worship, and all the limits set by Him, and all heavenly decrees should be totally and sincerely accepted. All these commandments and limits and laws and decrees should be accepted in great humility, and all the truths and understandings, which are the means of appreciating His vast powers and of finding out the greatness of His kingdom and His sovereignty and are a guide for the recognition of His favours and bounties, should be fully ascertained.
Source: The Islamic Review, Dec. 1988-Jan.1989 |
Toewijding aan God
"Zeg: Mijn gebed en mijn offers en mijn leven en mijn dood zijn zeker voor Allah, de Heer van de werelden." (Koran, 6:162)
Iemand kan als Moslim worden beschouwd als zijn gehele wezen, tezamen met all zijn vermogens - zowel fysiek als spiritueel - gewijd zijn aan de Almachtige God, en dat hetgeen door God aan hem is toevertrouwd, op verantwoorde wijze wordt teruggegeven aan de Werkelijke Gever. Hij dient zijn bestaan als Moslim niet alleen als een doctrine te zien, maar ook in praktijk te brengen. Iemand die zichzelf als Moslim beschouwt, moet dus bewijzen dat zijn handen, voeten, hart, ziel, rede, verstand, boosheid, compassie, kennis, en ook zijn fysieke en spirituele talenten, zijn eer en vermogen, zijn comfort en genoegens, en al wat hem toebehoort tussen zijn hoofd en zijn voeten, tezamen met zijn intenties, angsten en passies, alle aan de Almachtige God onderdanig zijn, zoals ook zijn ledematen onderdanig zijn aan hemzelf. Hij dient te bewijzen dat zijn oprechtheid zo'n niveau heeft bereikt, waar alles wat hij doet niet voor hemzelf is, maar voor de Almachtige God, en dat al zijn ledematen en vermogens zo toegewijd zijn aan de dienst aan God, alsof zij Zijn ledematen zijn geworden.
Het overdenken van dit vers toont duidelijk dat het toewijden van iemand's leven aan de Almachtige God, hetgeen de essentie is van de Islam, twee aspecten heeft. Ten eerste dient God het onderwerp te zijn van de aanbidding van de persoon, en het werkelijke doel, en niets dient gelijkgesteld te worden aan Zijn aanbidding, aan liefde voor Hem, of aan hoop op Hem. Alle geboden met betrekking tot Zijn heiligheid, glorie en aanbidding, en alle grenzen die Hij heeft gesteld, dienen volledig en oprecht te worden geaccepteerd. Al deze geboden, verboden en wetten dienen in alle nederigheid te worden aanvaard, en alle waarheden en begrip, die de middelen zijn om Zijn onmetelijke krachten te waarderen, en de grootsheid van Zijn koninkrijk en Zijn oppergezag te ontdekken, en die een gids zijn om Zijn gunsten en gulheid te erkennen, dienen ten volle te worden benut.
Bron: The Islamic Review, Dec. 1988-Jan. 1989 |