Instituut voor Islamitische
Studies en Publicaties

 
 

Deze site tot uw startpagina maken? Klik hier!

De Dageraad
Editie oktober-november-december 2006


Download printversie: RIGHT-CLICK hier --> save target as

In deze editie:

Op onze website:


Integratie

De leer van de Islam geeft een drievoudige basis, namelijk een filosofische, een wettelijke en een morele, aan Moslims om vreedzaam met niet-Moslims samen te leven, of het nu individuele Moslims zijn en Moslimgemeenschappen die in niet-Moslimse landen wonen, of Moslimstaten die in de wereldgemeenschap van landen bestaan.

Filosofische basis

Vanuit filosofisch oogpunt bekeken, verklaart de Koran pal aan het begin, in hoofdstuk 1 vers 1, dat Allah de “Heer der werelden” is. Het woord voor “Heer”, Rabb, betekent iemand die in alle behoeften voorziet voor uw groei en ontwikkeling. Allah is niet de Heer van één volk, ras of godsdienst. Hij heeft voorzien in de middelen voor stoffelijk onderhoud en ontwikkeling voor iedereen, ongeacht welk volk of godsdienst. Evenzo wekte Hij, volgens de Islam, Zijn boodschappers op met leiding onder alle volkeren. Hij is net zo goed de Heer van een niet-Moslim, of zelfs van een vijand van de Moslims, als dat Hij de Heer is van een Moslim.

Evenzo is het laatste korte hoofdstuk van de Koran van zes verzen een gebed dat als volgt begint:
“Zeg: Ik zoek toevlucht bij de Heer van de mensen, de Koning van de mensen, de God van de mensen” (114:1-3).

Bovendien spreekt de Koran de mensheid rechtstreeks aan en zegt tegen hen dat God het mensdom als één volk schiep, van één bron afkomstig, om in één huis te leven met dezelfde vloer onder hun voeten, nl. de aarde, en onder dezelfde hemel. Het zegt:

“O mensen, dien jullie Heer, Die jullie schiep en degenen vóór jullie, opdat jullie je kunnen hoeden voor het kwaad. Die de aarde tot een rustplaats voor jullie maakte, en de hemel een constructie, en regen uit de wolken naar beneden stuurt en daarmee de vruchten voor jullie onderhoud voortbrengt” (2:21-22).

Dat de mensheid één natie of umma is, wordt duidelijk gezegd:

“De mensheid vormt één enkele natie (umma). Dus deed Allah profeten opstaan als brengers van goed nieuws en als waarschuwers, en Hij openbaarde met hen het Boek met waarheid, opdat het een oordeel zou vellen tussen mensen over hetgeen waarin zij verschilden” (2:213).

“En (alle) mensen vormen slechts één natie, en dan verschillen zij van mening” (10:19).

Het is die ene natie waarvan de leden het oneens zijn en van mening verschillen. Maar die verschillen kunnen ook ten goede worden aangewend:

“Voor ieder van jullie hebben Wij een wet en een weg aangewezen. En als het Allah had behaagd, had Hij jullie tot één volk gemaakt, maar Hij wenst jullie te beproeven met wat Hij jullie heeft gegeven. Dus wedijver met elkaar om rechtschapen daden. Tot Allah zullen jullie allen wederkeren, dus Hij zal jullie duidelijk maken waarin jullie verschilden” (5:48).

Hier wordt geleerd dat, aangezien alle godsdiensten het doen van het goede prediken, hun volgelingen dienen te proberen elkaar te overtreffen in vrome daden. De verschillen tussen ons wat betreft doctrine zullen altijd blijven bestaan zolang we op aarde zijn, en pas na de dood zullen we erachter komen wie gelijk had en wie ongelijk. Er hoeven geen twisten te zijn tussen godsdiensten. Moslims moeten tegen anderen zeggen:

“Allah is onze Heer en jullie Heer. Voor ons zijn onze daden en voor jullie zijn jullie daden. Er is geen geschil tussen ons en jullie. Allah zal ons samenbrengen, en tot Hem is de uiteindelijke komst” (42:15).

De natuurlijke verschillen tussen volkeren en naties bepalen niet hun superioriteit of inferioriteit van de een tegenover de ander, maar zijn verschijnselen die bestudeerd moeten worden om kennis en begrip van de mens te vergroten.

“En een van Zijn tekenen is de schepping van de hemelen en de aarde en de verscheidenheid van jullie talen en kleuren. Waarlijk schuilen hierin tekenen voor de geleerden” (30:22).

“O mensheid, waarlijk hebben Wij jullie geschapen uit een man en een vrouw, en jullie gemaakt tot stammen en families, opdat jullie elkaar zullen kennen. Waarlijk is voor Allah de meest edelmoedige de meest plichtsgetrouwe onder jullie. Waarlijk is Allah Wetend, Bewust” (49:13).

De leer van de Koran dat Allah de Heer van de hele mensheid is, dat de mensheid één natie vormt, dat er onder alle volkeren boodschappers van God werden opgewekt, en dat Moslims in al deze boodschappers moeten geloven net zoals ze in de Profeet Mohammed geloven, verschaft de filosofische en ideologische basis voor Moslims om in vrede en harmonie met anderen te leven.

Wettelijke basis

De basis binnen de wet van de Islam volgens welke Moslims in vrede en harmonie met anderen kunnen leven, wordt door het volgende simpele maar belangrijke bevel gegeven:

“O jullie die geloven, vervul de verplichtingen” (5:1).

Het woord dat vertaald is als “verplichtingen” (mv. ‘uqud, ev. ‘aqd) omvat alle overeenkomsten, contracten, afspraken, verdragen, etc. Moslims die in niet-Moslimse landen leven, waar ze vrij zijn om te bidden, naar de moskee te gaan en zichzelf Moslim te noemen, zijn onder een verbond met het wettelijke gezag geplaatst om de wetten van het land te eerbiedigen.

Het nakomen van alle soorten van verplichtingen die men is aangegaan, wordt in de Koran als een basiseigenschap van Moslims beschouwd, net zo fundamenteel als het geloof in God en de gebedsplicht. Onder de hoofdeigenschappen van Moslims bevindt zich de volgende:

“En degenen die zich houden aan wat hen is toevertrouwd en hun overeenkomst, en degenen die over hun gebeden waken” (23:8-9).

“Rechtschapen is degene die gelooft in Allah … en de uitvoerders van hun belofte wanneer zij een belofte doen” (2:177).

Ze zullen door God verantwoordelijk worden gehouden voor hun overeenkomsten:

“En vervul de belofte; waarlijk zal er navraag worden gedaan naar (de vervulling van) de belofte” (17:34).

Wanneer Moslims regeringszaken toevertrouwen aan personen die over hen zullen regeren, met andere woorden door een of andere vorm van verkiezingen, of het nu in een Moslimland is of in een niet-Moslimland, dan zijn de instructies van de Koran wat dit betreft als volgt:

“Allah verplicht jullie zeker om verantwoordelijkheden (d.w.z. de posities van verantwoordelijkheid) over te dragen aan degenen die ze waardig zijn, en dat wanneer jullie rechtspreken tussen mensen, jullie rechtvaardig rechtspreken” (4:58).

Waardigheid en geschiktheid om verantwoordelijke posities te bekleden, moeten de criteria zijn die bepalen wie aan de macht gekozen moet worden. Het moeten dusdanige regeerders zijn dat ze rechtvaardig tussen alle mensen rechtspreken, en als Moslims zich in deze gezagspositie bevinden, dan moeten ook zij tussen iedereen met rechtvaardigheid rechtspreken.

Seculiere of niet-Moslimse regering

Hoofdstuk 12 van de Heilige Koran, getiteld Jozef, is bijna helemaal gewijd aan het verhaal van die bekende profeet van de bijbel. Men accepteert dat de geschiedenissen van de vroegere profeten die in de Koran staan, bedoeld zijn als gedragsvoorbeelden voor de Moslims. Jozef predikte en volgde de monotheïstische godsdienst van zijn grootvader, Abraham, toen hij in Egypte leefde onder een Farao en een regering die die religieuze leer niet volgden. Dit komt precies overeen met een Moslim die heden ten dage in een overwegend niet-Moslims land leeft.

Nadat hij een droom van de koning van Egypte had uitgelegd dat er zeven jaren van overvloed zouden zijn, gevolgd door zeven jaren van droogte, werd Jozef op zijn eigen verzoek als schatmeester van de staat door de koning aangesteld. Hij werd “waardig en vertrouwd” geacht door de heersers en was een “goede beheerder” van de schatkist (12:54-55). Uit het verhaal van hoofdstuk 12 blijkt dat dat koninkrijk van ongelovigen zeer hoge standaarden van recht en wet kende. Toen de broers van Jozef Egypte bezochten om hun aandeel graan tijdens de droogte te verkrijgen, wilde Jozef zijn broer Benjamin bij zich houden, terwijl de anderen naar hun eigen land terugkeerden. De Koran zegt echter:

“Hij kon zijn broer niet onder de wet van de koning plaatsen, tenzij het Allah behaagde” (12:76).

De wet van dat land stond het Jozef niet toe om Benjamin in Egypte te houden. Hij legde zich dus neer bij die immigratiewet, en brak die niet, noch gebruikte hij zijn ambtspositie voor speciale behandeling.

De les die in dit hoofdstuk wordt onderwezen, is dat een rechtschapen Moslim, iemand zelfs die de leer van de Islam predikt, ook een trouwe dienaar van een niet-Moslimse staat kan zijn, op loyale wijze bijdraagt aan haar moreel en economisch welzijn, zichzelf bezighoudt met staats-organisatie op het hoogste niveau en nauwgezet haar wetten eerbiedigt. Dit verhaal illustreert ook dat een niet-Moslimse staat zich aan zeer prijzenswaardige standaarden van recht en wet kan houden, die een voorbeeld kunnen zijn voor Moslims om na te volgen.

Morele basis

De basis die de morele leer van de Islam aan Moslims geeft om in vrede, harmonie en vriendschap met niet-Moslims te leven, wordt duidelijk uit het volgende vers, dat de basisplichten van een Moslim opsomt:

“En dien Allah en stel niets aan Hem gelijk, en wees goed voor de ouders en voor de naaste verwanten en de wezen en de behoeftigen en (jullie) verwante buren en de vreemde buren, en de metgezel tijdens een reis en de reiziger en degenen onder jullie zorg en beheer” (4:36).

Dit vers sluit uitdrukkelijk de “vreemde buur” in onder de personen tegen wie we goed moeten doen, en plaatst hem in dezelfde lijst als iemands ouders, relaties en de buren van iemands eigen volk. De “vreemde” buur kan iemand van een ander ras, land of godsdienst zijn. ”Goed doen” tegenover iemand is een positieve daad, wat hoger staat dan iemand simpelweg geen kwaad berokkenen.

Hier staan ook vermeld onder de personen tegenover wie een Moslim goedheid moet tonen “de metgezel tijdens een reis en de reiziger.” Vandaar dat zelfs minieme schade toebrengen aan medepassagiers, laat staan hen doden door gebruik van explosieven of door een vliegtuig te laten neerstorten, geheel tegen de basisfundamenten van de Islam indruist.

Er bestaan verschillende gezegdes van de Heilige Profeet Mohammed (vzmh) die de plicht tegenover iemands buur benadrukken:

“(De engel) Gabriël bleef me aansporen tot het in acht nemen (van een goede behandeling) van een buur, in zo’n mate dat ik dacht dat hij hem tot een erfgenaam (van mij) zou maken.”

“De Profeet zei: Bij Allah, hij gelooft niet! Bij Allah, hij gelooft niet! Bij Allah, hij gelooft niet! Men zei: wie is dat, o Boodschapper van Allah? Hij zei: Die persoon wiens buur niet veilig is voor zijn kwaad.”

“Iemand die in Allah en in de Laatste Dag gelooft, mag zijn buur geen kwaaddoen.”

“Iemand die in Allah en in de Laatste Dag gelooft, moet zijn buur eren.” (De vier verslagen hier staan in Bukhari, boek: ‘Goede manieren’, hfst. 28–31. In de Muhsin Khan vertaling 8:73:43, 45, 47, 48)

In de Hadiesverzameling Sahih Muslim staan er gezegdes van de Heilige Profeet met betrekking tot de buur opgenomen in het Boek van Geloof, dat verslagen bevat over de basisleerstellingen en –praktijken die een persoon moet aanvaarden wanneer hij een Moslim wil zijn:

“De Profeet zei: Niemand van jullie heeft geloof, totdat hij datgene liefheeft voor zijn broeder of voor zijn buur, wat hij voor zichzelf liefheeft” (In de A.H. Siddiqui vertaling zie boek 1, hfst. 18, nummers 72 en 73).

Net zoals in het hierboven aangehaalde vers van de Koran (4:36), wordt er hier geen onderscheid gemaakt tussen de buur van iemands eigen volk, ras of godsdienst, en een buur die tot een ander volk of godsdienst behoort.

Door zich aan deze duidelijke, nadrukkelijke leringen te houden, kunnen Moslims – hetzij individueel, als gemeenschap, of als natie – in vrede en harmonie met hun niet-Moslimse buren leven die op dezelfde aarde wonen. Behalve dat ze buren zijn, zijn ze ook, in termen van het hierboven aangehaalde vers 4:36, “metgezellen tijdens een reis,” zowel tijdens de reis van de aarde in haar baan in de ruimte, als tijdens de reis van het leven.

Uit het boek Islam, Peace and Tolerance, door Dr. Zahid Aziz.
Dit boek kan worden gedownload op www.ahmadiyya.org


De titel Hadji / Hadja

Eind december / begin januari vindt wederom de jaarlijkse Islamitische bedevaart, de Hadj, plaats (zie volgend artikel voor informatie over de Hadj en het Offerfeest). Wederom zijn vele Moslims in de gelegenheid hun bedevaartsplicht, de vijfde zuil van de Islam, te vervullen.

De gewoonte is ontstaan om degenen, die de Hadj hebben volbracht, met de titel Hadji (voor een man) of Hadja (voor een vrouw) aan te duiden. Deze titel is echter niet te herleiden tot de beginperiode van de Islam; de Profeet Mohammed (vzmh) en vele van zijn metgezellen hebben de Bedevaart volbracht, maar geen van hen is ooit met deze titel aangeduid.

Een ander merkwaardig verschijnsel is dat Moslims, de de Umrah (kleine bedevaart in de Heilige Moskee te Mekka) hebben volbracht, ook met de titel Hadji / Hadja worden aangeduid. Dit is volstrekt verkeerd. De Hadj is de grote bedevaart; als men iemand die deze verplichting heeft volbracht de benaming Hadji / Hadja wil geven, tot daar aan toe. De Umrah heeft niet dezelfde status als de Hadj, en het is niet gepast om degenen, die de kleine bedevaart hebben volbracht, gelijk te stellen met degenen die de grote bedevaart hebben gedaan. Door degenen, die de Umrah hebben volbracht, ook de titel Hadji te geven, wordt onterecht de indruk gewekt dat deze personen ook de grote bedevaart hebben volbracht. Bij wijze van vergelijking: als iemand zijn eerste jaar medische studie heeft afgerond, is het ook niet gepast om deze persoon de titel “Doctorandus” te geven!

Wij roepen derhalve onze Moslimbroeders en –zusters op om de titel Hadji of Hadja – indien men die wenst te gebruiken – uitsluitend te reserveren voor degenen die de grote bedevaart (Hadj) hebben volbracht (zoals reeds gesteld, komt deze titel echter niet uit de tijd van de Profeet en zijn metgezellen). Zij die de Umrah hebben gedaan, hebben geen recht op welke Islamitische betiteling dan ook, aangezien de Umrah niet dezelfde status heeft als de Hadj. In het bijzonder rust op onze Islamitische geleerden, imaams en overigen, de plicht om zich aan dit verkeerd gebruik, dan wel misbruik van de titels Hadji / Hadja niet schuldig te maken.


De Bedevaart en het Offerfeest

In de laatste week van 2006 en de eerste week van 2007 vindt de grote Islamitische bedevaart plaats. Miljoenen Moslims trekken van heinde en verre naar Mekka om aan hun geestelijke verplichtingen te kunnen voldoen. De Hadj is de bedevaart naar het Huis van Allah in Mekka te Saudi-Arabië en is verplicht voor elke volwassen Moslim, die daartoe in staat is. Met “in staat zijn” wordt bedoeld, dat iemand niet wordt belemmerd door gebrek aan financiële middelen, lichamelijke handicaps, levensgevaar (bijv. in tijden van oorlog), enz. Voor mensen die in dergelijke omstandigheden verkeren, geldt de plicht tot het volbrengen van de bedevaart dus niet.

Qiblah van de Moslims

De Ka’aba, die ligt in de Heilige Moskee te Mekka, is de qiblah van de Moslims, hetgeen inhoudt dat de Moslims zich bij het verrichten van de vijf dagelijkse gebeden met hun gezicht daar naartoe richten.

Vermeldenswaard is, dat voordat de Ka’aba tot de qiblah van de Moslims werd gemaakt, de tempel te Jeruzalem (Al-Aqsa moskee) de qiblah van de Moslims was. De Heilige Profeet Mohammed (vzmh) had voor deze qiblah gekozen, omdat deze de qiblah was van de laatste Profeet die vóór hem was verschenen, namelijk de Profeet Jezus. En aangezien de Islam de waarheid in alle eerdere openbaringen erkent [1], koos de Profeet Mohammed ervoor de tempel te Jeruzalem tot zijn qiblah te maken, totdat aan hem werd geopenbaard zich naar de Ka’aba in Mekka te richten [2].

Wordt de Ka’aba aanbeden?

Bij velen heerst de mening, dat de Ka’aba in Mekka door de Moslims wordt aanbeden. Niets is echter minder waar. De Eenheid van God blijkt namelijk duidelijk uit Zijn openbaringen, zoals o.a. vermeld staat in Koran 2:255:

“God – er is geen god behalve Hij, de Eeuwiglevende, de Zelfbestaande, door Wie alles bestaat…”

en in het welbekende 112:1:

“Zeg: Hij, God, is Eén.”

Het is de Moslims derhalve niet toegestaan, iets anders dan God te aanbidden.

Verder zien we bij vele andere godsdiensten rituelen, waarbij rondgangen om het altaar of om het vuur worden gemaakt. Dit betekent niet, dat het altaar of het vuur door de belijders van die godsdiensten wordt aanbeden; zo betekent het rondgaan om de Ka’aba ook niet, dat deze wordt aanbeden.

Bouw van de Heilige Moskee

Volgens de Koran werd de Heilige Moskee te Mekka door de Profeet Abraham herbouwd [3]. Echter wordt niet vermeld door wie dit heiligdom gebouwd werd, maar de Koran (en ook andere geschriften) kennen aan de Ka’aba zeer hoge ouderdom toe, waardoor het door diverse gezaghebbende auteurs wordt beschouwd als zijnde één van de eerste gebedshuizen der mensheid.

Instelling van de Hadj

De Hadj is niet, zoals velen menen, ingesteld door de Profeet Mohammed. Als we de Koran raadplegen, zien we namelijk dat God zegt, nadat Hij de Profeet Abraham beval het Huis te reinigen:

“En verkondig de bedevaart onder de mensen; zij zullen te voet en op iedere slanke kameel, komende van elk verafgelegen pad, tot u komen.”

De Hadj werd dus reeds ten tijde van de Profeet Abraham ingesteld [4].

Heden ten dage zien we duidelijk deze voorspelling van God, die eeuwen geleden is gedaan, uitkomen. Uit alle uithoeken van de wereld trekken bedevaartgangers in de Islamitische maand Zul Hidja naar Mekka om hun Hadj te volbrengen; tegenwoordig meer dan 2 miljoen pelgrims per jaar; ieder jaar weer het grootste aantal mensen op de wereld bij elkaar.

Het Offerfeest

Het Offerfeest, dat in 2006 op of rond 31 december zal plaatsvinden, is een onderdeel van de bedevaart te Mekka, maar wordt door Moslims over de gehele wereld gevierd. Bij dit feest wordt de bereidheid van Abraham herdacht om op Gods bevel zijn zoon Ismaël aan Hem te offeren. Toen de bereidheid van Abraham om dit offer te brengen reeds was bewezen, kreeg hij het bevel van God om in plaats van zijn zoon een dier te offeren en het is dit feit, dat door de Moslims bij het offerfeest wordt herdacht [5].

Echter is de belangrijkste les die uit het offerfeest wordt geleerd, dat de Moslims hun lagere begeerten (dierlijke verlangens) dienen op te offeren om zodoende een steeds beter mens te worden [6]; iemand, die erin slaagt de lagere begeerten te bedwingen, heeft recht op het Paradijs [7].

Eenheid in verscheidenheid

Met het beperken van de bedevaart en het offerfeest tot een bepaalde periode [8] heeft God ongetwijfeld voor ogen gehad, de eenheid tussen de Moslims te versterken [9]. Dat betekent echter niet, dat de Islam tegen andere godsdiensten is! Integendeel, de Islam erkent, zoals reeds eerder gesteld, de waarheid in alle openbaringen, die aan eerdere profeten werden gegeven [1]. Daarom zegt God in Koran 2:62:

“Waarlijk, degenen die geloven en degenen die Joden zijn, en de Christenen en de Sabiërs – al wie in God en in de jongste dag geloven en goed doen, zij zullen hun beloning bij hun Heer hebben en er is geen vrees voor hen, noch zullen zij treuren.”

Het is helaas slechts onbekendheid met de ware lessen uit de Koran, die vele Moslims ertoe drijft andersdenkenden niet naar behoren te behandelen. Wij spreken de hoop uit dat de ware les uit het offerfeest zal worden geleerd, namelijk dat alle lagere begeerten worden overwonnen, en dat zodoende dit feest een belangrijke bijdrage moge leveren aan een beter welzijn voor de gehele mensheid, temeer daar de Profeet Abraham, die bij dit feest centraal staat, in het bijzonder voor de Joden, Christenen en Moslims een zeer belangrijk persoon is.

Voetnoten: [1] Koran 2:136; [2] Koran 2:144; [3] Koran 2:127; [4] Koran 22:26-27; [5] Koran 37:102; zie ook uit de Bijbel: Gen. 22:2, 16:16, 21:5 e.a.; [6] Koran 22:37; [7] Koran 79:40-41; [8] Koran 2:197; [9] Koran 6:160, 61:4, 3:102 e.a.


COLOFON

Redactie
:
  • Riaz Ahmadali
  • Reza Ghafoerkhan
  • drs. Sharda Ahmadali-Doekhie
  • Irshaad Djoemai

Abonnementen / reacties / inzendingen:

Internet:

Overname uit De Dageraad is toegestaan, mits de bron wordt vermeld.

De Dageraad is een uitgave van het Instituut voor Islamitische Studies en Publicaties (I.V.I.S.E.P.).

De Dageraad is een voortzetting van:

  • Hakikatoel Islam (1934-1960), redacteur: moulvi Shekh Ahmadali
  • Al Haq (1971-1980), redacteur: mr. Basharat Ahmadali en A.S. Hoeseni